skip to Main Content
Stadsoases zijn niet langer een fata morgana…

Stadsoases zijn niet langer een fata morgana…

29.6.2020

Stadsoases zijn niet langer een fata morgana…

Carien van Boxtels liefde voor planten en tuinen leidde een aantal jaren geleden tot een opmerkelijke stap. Ze zegde haar advocatenbestaan vaarwel en verruilde dat voor de wereld van tuin- en landschapsontwerp. Onder het motto ‘oude liefde roest niet’ schreef ze zich in aan de Hogeschool Van Hall / Larenstein en vestigde haar bedrijf in het hartje van de Betuwe. Inmiddels is ze een rising star in de wereld van tuin- en landschapsontwerp. Ze publiceert regelmatig in de vakpers en staat bekend om haar originele en doordachte tuinontwerpen. Voor een Nederlands bedrijf ontwierp ze de stand voor de Chelsea Flower Show. Recent schreef ze een artikel over hoe wadi’s, rain gardens en andere ‘natte groeiplaatsen’ ware stadsoases kunnen worden. Voldoende aanleiding voor een interview.

Oases in de stad, is het jouw droom of kan het echt?

Ik droom weliswaar ‘groen’ maar ben ook een praktisch mens. Bij mij staat functionaliteit van het ontwerp altijd voorop. Of het nou grote projecten als parken, daktuinen of schoolpleinen betreft of kleinere, dat maakt niet uit. Mijn enthousiasme voor wadi’s en rain gardens – ook in steden -, is een reactie op de veranderingen in het klimaat. We komen in een andere wereld terecht. De temperaturen worden hoger, we zien steeds warmere en drogere zomers en dan opeens enorme stortbuien.

Wat zijn wadi’s eigenlijk precies?

Wadi is Arabisch voor dal. Het is een droge rivierbedding in een woestijn. Bij hevige regenbuien vult de wadi zich met water. Je kunt het vergelijken met onze uiterwaarden. Water stroomt naar het laagste punt en de wadi komt blank te staan. Zo wordt bij enorme stortbuien het hemelwater opgevangen en na één of twee dagen komt het water – gefilterd en wel – in het grond- of oppervlakte water terecht. Daardoor wordt riolering niet overbelast. Je moet je geen diepe sloten voorstellen, in een wadi komt hooguit enkele tientallen centimeters water te staan en meestal staan ze droog.

Zijn wadi’s niet vooral haalbaar in nieuwe woonwijken, waar er ruimte is?

Nee, niet alleen daar hoor. Maar mijn ideeën gaan verder dan wadi’s en rain gardens. Er zijn meer plekken die je ‘natte groeiplaatsen’ zou kunnen noemen. In de stedelijke gebieden vind je oevers van vijvers, grachten, sloten en kanalen en langs die oevers is van alles mogelijk.

Wat zijn rain gardens?

Dat is een verdiept aangelegd plantvak met een vlakke bodem en beplant met een variatie aan planten en struiken. Net als een wadi bedoeld om – na een wolkbreuk – tijdelijk water op te vangen. Dat water zakt dan langzaam weer in de bodem. Goede beplanting houdt het water vast.

‘Natte groeiplaatsen’ in stedelijk gebieden, dat vergt vast bijzondere plantensoorten…

Dat valt mee. Laten we in het kader van De Groene Stad beginnen met oevers langs vijvers, kanalen en sloten. Daar heb je uiteraard vochtminnende planten nodig. Helofyten, moerasplanten die in de waterbodem wortelen, maar waarvan de stengels, bladeren en bloemen boven het water uitsteken. Riet en lisdodde bijvoorbeeld. Je kunt de oevers en daarmee het aanzien van een stad er enorm mee upgraden. Oevers gaan vaak over in grasvelden die een tikje saai ogen. Als je daar vanaf wilt kun je werken met hoger groeiende kruiden, vaste planten, heesters en – misschien verrassend – ook met bloembollen! Maar dat is de uiterlijke kant. Je kunt er ware stadsoases van maken. Goed voor de soortenrijkdom, voor dieren die erin weg kunnen schuilen en de verdamping levert bovendien een bijdrage bij het bestrijden van hittestress.

Een flink deel van de lezers van De Groene Stad werkt bij gemeenten, die hebben onderhoud in hun achterhoofd…

Dat is heel begrijpelijk, maar voor hen heb ik goed nieuws. Onze ervaring leert dat hoe hoger de beplanting is, hoe minder betreding door mensen, honden en katten plaatsvindt. Dat vergemakkelijkt juist het beheer van op deze manier ingerichte plekken.

Hoe kom je tot de keus van soorten in de beplanting?

Dat is situatie gebonden. Je moet weten hoe nat de bodem is. Je moet vaststellen of er sprake is van een hoge, wisselende of lage grondwaterstand. Is het een zand, leem of kleibodem? Hoe valt de zon? Bij de helofyten kom je daar vrij snel uit, maar als we stilstaan bij bolgewassen is dat van belang.

Onze bollen kunnen wat betreft kou ze meestal wel een stootje hebben. Ook hitte doet ze weinig, maar een voortdurend natte bodem zonder zuurstof is geen goede groeiplaats voor bloembollen. Maar als de waterstand dynamisch is – zoals bij wadi’s, rain gardens en locaties iets hoger op de oevers – dan zijn bollen wel degelijk een optie.

‘Onze’ bollen?

Jazeker! Nederland heeft nog steeds een relatief nat zeeklimaat. Langs de rivieren in onze streken komen vanouds interessante bol- en knolgewassen voor. Die zijn al eeuwen geleden door kwekers opgepikt en in cultuur gebracht. Ik blijf de verzamelnaam ‘stroomdalplanten’ prachtig vinden.

Kun je een aantal soorten noemen?

Natuurlijk. Laten beginnen met een plant die we allemaal kennen, het sneeuwklokje. Het is een goed verwilderde stinzenplant. Doet het prima op vochtige bodem, klei of zand, het maakt niet uit. Goed toe te passen aan de oevers van grachten en vijvers. Voordeel is dat ze flink uitzaaien.

Het zomerklokje ofwel Leucojum aestivum bloeit in het voorjaar, tussen april en juni. Het lijkt op een reuzensneeuwklok met zes bloemblaadjes en geel-groene stippels. Het is vrij zeldzame soort die in het wild voorkomt in vochtige weilanden, natte bossen en tussen het riet langs rivieren. De bloei mag je met drie tot vijf bloemen per stengel gerust uitbundig noemen.

Een aantal soorten wilde narcissen is geschikt voor een vochtige, voedselrijke bodem. Ze doen het prachtig op een zonnige of halfbeschaduwde standplaats. Twee heb ik in gedachten. De narcissus pseudonarcissus is een wilde narcis van 15 tot 20 cm hoog; de bloemen zie je al in maart. De plant heeft zachtgele bloemblaadjes en een goudgeel trompetje. Dan heb je de narcissus pseudonarcissus spp. lobularis ziet er bijna hetzelfde uit. Beide soorten zaaien zich flink uit.

Welke soorten zijn er nog meer?

Ah, heel wat. Eén van mijn favorieten is de kievitsbloem, de fritillaria meleagris. Het is één van de meest bijzondere bloemen die ik ken. Oud ook, dit verfijnde bolgewasje is al in 1573 geïntroduceerd als cultuurgewas. De kleur aubergine vind ik mooi en op de bloemblaadjes zie je een dambordmotief. Ze gedijen op natte plekken, op een paar plaatsen vind je ze nog in het wild.

De naam – Bulgaarse ui of Siciliaanse honingknoflook – is niet zo aantrekkelijk, maar het is een prachtige plant. Het geslacht heet nectaroscordum en de plant komt uit Centraal Azië waar hij groeit in vochtige loofbossen en weides. Hij bloeit tot wel 80 cm hoog met een tros hangende, klokvormige bloemen, die groenwit zijn met een karmijnrode, kastanjebruine tot paarse streep. Het is een schitterende, ongewone bloembol, die veel meer aandacht verdient. Hij kan zowel in de zon als in de schaduw worden geplant. Bij voorkeur op een voedselrijke, lemige tot kleiige standplaats. Het is een plant die kan blijven staan.

Tot slot wil ik nog een soort noemen, de cammasia. Bijgenaamd de indianenbloem of prairielelie.

Camassia ook wel: indianenbloem of prairielelie
Camassia is een prachtige, goed verkrijgbare en geliefde prairieplant. De plant heeft witte, waterblauwe tot heel donkerblauwe aarvormige bloemstelen, waarlangs de stervormige bloemen mooi gerangschikt staan, en sierlijk blauwgroen lancetvormig blad. Camassia komt uit de bergen en prairies van het westelijk deel van Noord-Amerika. Indianen aten de bol, die qua smaak iets wegheeft van een zoete aardappel. De wat forsere Camassia leichtlinii kan prima in wat vochtiger borders staan, maar ook in gras of langs waterpartijen. Bijen en hommels vliegen er graag op en de forse plant biedt veel structuur- en sierwaarde. Camassia leichtlinii ‘sacajaweja’ wordt 70-90 cm lang, heeft crèmekleurige bloemen en prachtig bont blad dat al vroeg sierwaarde heeft. Camassia leichtlinii ‘caerulea’ is een prachtige helderblauwe variant die al rond half april kan bloeien, zeker na een paar jaar vast staan. Deze cultivar wordt ook 70-90 cm hoog. Camassia cusickii blijft iets lager, zo’n 50 cm, en bloeit iets later dan Camassia leichtlinii ‘Caerulea’ in een heel lichte waterig blauwe tint. Het is een prachtplant die veel blad maakt. Camassia quamash is een verfijnde kobaltblauwe prairielelie van zo’n 40 cm hoog, die prima op nattere weilanden of aan vijvers kan groeien. In de vochtige meadows van de beroemde tuin Great Dixter in Engeland bloeien ze prachtig in mei.

Back To Top
The Green City uses Googles cookies and scripts to analyse your use of our website anonymously, so we can customise its functionality and effectiveness and display advertisements. We also use Facebook, Twitter, LinkedIn and Google cookies and scripts, with your consent, to enable social media integration on our website. If you wish to change which cookies and scripts we use, you can alter your settings below.
Annuleren